|
Kikkers
en regen
"Jij
uit Holland? Ik dacht dat alle Nederlandse vrouwen blond waren.” Pretoogjes in
een door de zon geteisterd gezicht, omlijst door een lange baard en slappe hoed.
“De meeste zijn brunettes zoals ik,” antwoord ik.
“Jij een brunette? Jouw haar is rood,” zegt de man.
“Dat is het stof,” lach ik. M’n neus, oren, haren. Overal rode stof. Geen
zwart randje onder mijn nagels maar rood.
De man zet zijn fijn geknepen blikje bier op de bar. Peter, de eigenaar van het
Family Hotel, een pub in Tibooburra in de Outback van Australië,
zet zonder een woord een nieuw blikje neer.
Ik
neem een flinke slok bier. Het is 45 graden, half één in de middag en ik heb
net de 800 meter hoge Mount Wood beklommen. Tien liter water leek rechtstreeks
uit mijn poriën naar buiten te stromen. Kokend in mijn eigen zweet had ik een
steentje gelegd op de stapel die mijn voorgangers hadden opgebouwd.
Met
ruim honderd liter water en eten voor vijf dagen waren we gisteren vertrokken
uit Broken Hill. De borden gaven aan dat de weg open was en met gemiddeld
vijftig kilometer per uur hadden we de ruim driehonderd kilometer over
grotendeels gravelroad naar Tibooburra afgelegd. Onder de bomen schuilden
kangoeroes tegen de felle zon. Op weg naar het 150 inwoners tellende dorp kwamen
we langs twee plaatsen: Packsaddle en Milparanka. Allebei niet meer dan een
wegrestaurant waarvan de laatste wegens verbouwing gesloten.
We
slapen in een homestead. De boerderij waar oorspronkelijk de landeigenaren van
Mount Wood, genoemd naar de berg, woonden. Inmiddels hebben ook zij hun bezit
overgedragen aan de staat. Het resultaat is het uitgestrekte Sturt National
Park. Genoemd naar de
ontdekkingsreiziger Charles Sturt. Een
park dat op het eerste gezicht een leeg maanlandschap is. Maar als je goed
tussen de regels doorleest zie je tientallen kangoeroes, emoes, vogels in alle
kleuren van de regenboog, insecten, gekko’s en andere reptielen. De magpie
laat zijn kenmerkende orgelgeluid horen en de takken en bladeren vertellen hun
verhalen op het ritme van de wind.
Het
bord met Ice cold beer had ons het lokaal wereldberoemde Family Hotel ingelokt.
Terwijl de bodem van ons blikje in zicht komt verklaart Peter waarom de
Silvercity Highway niet geasfalteerd is. “Asfaltwegen kosten hier in de
Outback zo’n 150.000 dollar per kilometer. It’s like driving on gold. Niet
alleen de aanleg kost veel, ook het onderhoud is duur. Regelmatig spoelen enorme
regenbuien grote delen weg.”
We
nemen nog een biertje en vertellen over ons land in Quorn ten zuiden van de
Flinders Ranges. “Waar ligt dat precies en hoe groot is het,” vraagt hij geïnteresseerd.
“Ruilen voor deze pub,” grap ik.
“Nou,
die staat al een tijdje te koop. Het is te zwaar in mijn eentje. Zeven dagen in
de week.”
Twee
dagen later zijn we terug. Een laatste biertje voor de lange rit naar White
Cliff. Aan de bar zitten twee mannen. Ik vertel dat er de afgelopen dagen
kikkers in de toiletpot zaten. Eén van de mannen vertelt dat hij totdat hij
volwassen was nog nooit een kikker had gezien en de eerste keer enorm
geschrokken was. Alsof zijn bloed stil stond.
“Vroeger,”
zegt Peter, “betekenden kikkers in het toilet dat er regen op komst was. Maar
de laatste echte regenbui was 3 jaar geleden. Ach, dingen veranderen. Nu hebben
we kikkers en geen regen. De regen kwam altijd uit het Noordwesten. Regende het
in Broome, dan stortte het een paar dagen later hier uit de hemel. Waren we
totaal afgesloten van de rest van de wereld. Nu komt de regen uit het
Zuidoosten. Alles verandert, alleen de hitte en het stof blijft.”
Ik
reken af en bij het weggaan zeg ik: “Tot over twee jaar!”
“I
won’t be here,” is het antwoord.
|