|

Z
i e n
Het ligt langs de kant van de weg als een
trendy leren tas. Vormen zijn weggerot door de brandende zon. Accenten zijn
ontworpen door roofvogels die met hun gulzigheid een patroon hebben vastgelegd.
Hebberige klauwen hebben diepe gaten achtergelaten. Ingewanden zijn verdwenen,
het bot is schoon geschraapt. Niets mag in dit afgelegen gebied verloren gaan.
H
o r e n
Ik lig stil in mijn slaapzak. Ze zijn er weer. Vleugeltjes
klapperen tegen elkaar als het ritme van een snelle samba met naaldhakken op een
pas gelakte vloer.
Ik doe mijn ogen dicht en hoor in mijn gedachten de aaneen
geklitte kluwen als een bal over de stoep rollen. Ik wil ze dood trappen: SPLETS
Rakketakrakketakrakketak.
Als een leger dat schietend aanvalt of een ferme hagelbui
kletterend op de ramen. Ze komen dichterbij.
Ik doe het licht aan. De kakkerlakken vliegen het raam uit
naar buiten.
S
m a a k
Mijn tanden schieten door het zachte brood heen en komen tot
stilstand op het plakje rode biet. De smaak van biet en wortel vermengen zich
zuur als augurk met een bitterzoete nasmaak. Het zoute spek gooit zich in de
strijd en wint. Mijn tanden scheuren de eierdooier in tweeën. Het vet van de
hamburger verbindt de explosie van smaak. Alsof ik op de markt loop waar
kooplui strijden om mijn aandacht.
V
o e l e n
36 graden celcius, acht kilometer lopen, ik voel mijn bloed borrelen. Ik neem een slok.
Als een koelbloedige slang zoekt het vocht zijn weg en stort zich als een
waterval in mijn maag. Het sist door mijn aderen, ze knappen open. De kou
verspreidt zich door mijn hete lijf. Ik hap naar adem.
|